Indonesisch voor dummies

Indonesisch voor dummies

Wij als Nederlanders bestellen regelmatig babi pangang of pisang goreng, maar weten wij eigenlijk wat we zeggen? 

Hieronder een lijstje met een aantal populaire Indonesische woorden. Ken jij ze al?

Ajam (ayam) = kip
Babi = varken
Daging = vlees
Daging sapi = rundvlees
Ikan = vis
Oedang (udang) = garnaal
Pisang = banaan
Sajoer (sayur)= groenten
Nasi = rijst
Koening (kuning) = geel
Asem = zuur
Asin = zout
Manis = zoet
Boemboe (bumbu) = kruiden- en specerijenmengsel
Goreng = gebakken
Panggang = geroosterd
Smoor (semur) = stoofschotel
Tjampoer (campur) = gemengd

Ook leuk om je (talen)kennis over Aziatische kruiden en specerijen iets aan te scherpen. Dit zijn een aantal kruiden en specerijen die vaak in de Aziatische keuken gebruikt worden.

Laos = galangawortel
Djintan (jinten) = komijn
Djahé (jahe) = gemberwortel
Kentjoer (kencur) = wortel van de galangaplant
Koenjit (kunyit)/kurkuma = kurkuma, geelwortel
Ketoembar (ketumbar) = korianderzaden
Sereh = citroengras
Tjenkeh (cengkeh) = kruidnagel
Pala & bungah pala = nootmuskaat & foelie
Kaju manis (kayu manis) = kaneel
Asam jawa = tamarinde
Djeroek poeroet (jeruk purut) = limoenblad
Daoen salam (daun salam) = salamblad, Indonesische laurier
Ku chai = Chinese bieslook
Bai horapha = Thaise basilicum
Gula jawa = palm suiker

Smaakmakers Boemboes